In Burgerkracht; De toekomst van het sociaal werk in Nederland, een uitgave van de RMO, pleiten de auteurs voor ‘een andere institutionele logica waarin overheid en welzijnsinstellingen elkaar niet meer in de wurggreep houden en burgers central staan.’ Burgers leiden zelf de dans en worden gefaciliteerd. Alleen de ‘zware gevallen’ worden nog strikt begeleid.
In Vertrouwen op democratie, een advies van de Rob uit 2010, ziet de Raad: ‘de kloof tussen enerzijds de gehorizontaliseerde publieke ruimte waarin mensen, maatschappelijke organisaties, bedrijven maar ook politiek en bestuur in netwerken op voet van gelijkheid met elkaar omgaan. En anderzijds de verticaal georganiseerde instituties van politiek en bestuur die, hoewel onderdeel van de horizontaliteit, in werkwijze nog uitgaan van een verticale fictie en daarom nog geen effectieve verbinding hebben gevonden met de nieuwe werkelijkheid.'
Het lijken signalen uit een vervlogen tijd. Beide adviezen bepleiten een grotere rol voor de volwassen geachte burger. Maar meer dan ooit constateren we dat enerzijds de opmars van het regentendom in het kabinet Rutte, anderzijds van het boegetoeter vanuit het publiek, de afstand tussen bestuur en burger vergroten. De kloof is nog nooit zo groot geweest, ondanks dat het boegetoeter tegenwoordig ook vanuit de bankjes van de Tweede Kamer komt (daar waar men op dit moment nog een bewuste afstand houdt tot de macht).
De volwassen geachte burger is die burger, die zich beschaafd opstelt, zorgvuldigheid betracht, niet toetert maar denkt, zich wel twee keer bedenkt. Die burger betrekken in de noodzakelijk geachte horizontale discussie, dat is de uitdaging. Maar wie neemt het voortouw? Of liever: wie wil het voortouw nemen?
